3.2 Genetica

Erfelijke aandoeningen kunnen op verschillende wijze overgedragen worden:

Enkelvoudig recessief overervende aandoening: Een hond kan de erfelijke aandoening enkel krijgen als hij van beide ouders hetzelfde afwijkende allel krijgt.

Enkelvoudig dominant overervende aandoening: Een hond hoeft maar van een van de ouderdieren het allel te krijgen om de erfelijke aandoening te krijgen.

Geslachtsgebonden aandoening: Is geslachtsafhankelijk. Een aandoening welke alleen een reu of een teef kan krijgen.

Polygentische erfelijke aandoening: Er zijn meerdere genen betrokken bij het ontstaan van de erfelijke aandoening.

Een ouderdier kan Vrij, drager of lijder zijn van een erfelijke aandoening. 

Het enkelvoudig recessief overervende aandoening komt het meeste voor en zal ik daarom iets verder uitwerken hoe de vererfing werkt. 

Vrij: De hond is vrij van deze erfelijke aandoening, kan het zelf niet krijgen en kan dit ook niet doorgeven aan zijn nakomelingen 

Drager: De hond heeft een gezond en een ziek gen, word zelf niet ziek maar kan dit wel doorgeven aan zijn nakomelingen. 

Lijder: De hond heeft 2 afwijkende genen kan zelf de ziekte krijgen en geeft dit door aan zijn nakomelingen. 

Het is daarom belangrijk dat alle erfelijke ziektes die bekend zijn binnen een ras getest worden, alleen op deze manier kunnen vrije, dragende en lijdende honden in kaart worden gebracht en kan worden voorkomen dat er zieke pups geboren worden.

In het schema hier onder zie je wat er gebeurt als er honden met elkaar gekruist worden. Dragers worden zelf niet ziek maar kunnen bij het kruisen met een drager of lijder wel de erfelijke ziekte door geven aan hun nakomelingen. 

*Dit schema is alleen voor enkelvoudig recessief overervende aandoeningen